Sinds 1 december 2020 moet élk beding in een contract tussen ondernemingen — onderhandeld of in uw algemene voorwaarden — één vraag overleven: schept het een kennelijk onevenwicht? De wet werkt met vier filters: een transparantieplicht, een zwarte lijst van vier absoluut verboden bedingen, een grijze lijst van acht verdachte, en een algemene norm die elk overig onevenwicht opvangt. De kern van de deal — voorwerp en prijs — ontsnapt aan de toets, maar enkel als hij duidelijk is. De sanctie is streng: het beding is nietig, en een te scherp boetebeding wordt doorgaans niet gematigd — u verliest het volledig.
Elk B2B-beding moet één vraag overleven: schept het een kennelijk onevenwicht tussen de rechten en plichten van de partijen? Zo ja, dan is het beding onrechtmatig — en dus nietig.
De regeling geldt voor alle ondernemingen (art. I.8, 39° WER), ongeacht hun grootte en ongeacht of ze sterk of zwak staan, en voor alle bedingen — zowel in algemene voorwaarden als in onderhandelde clausules. Buiten het toepassingsgebied vallen enkel financiële diensten en overheidsopdrachten (art. VI.91/1). Elk beding loopt door vier filters.
De regeling grijpt in op elke overeenkomst die na 1 december 2020 wordt gesloten, hernieuwd of gewijzigd. Een ouder contract lijkt buiten schot — tot u het aanraakt. Een prijsindexatie, een bijlage, een verlenging: zodra u wijzigt of verlengt, valt het hele contract onder het volledige B2B-regime, inclusief de zwarte en grijze lijst. Screen dus vóór u een addendum tekent — niet erna.
De zwarte lijst (art. VI.91/4) somt bedingen op die altijd nietig zijn — geen tegenbewijs mogelijk, restrictief te lezen. De grijze lijst (art. VI.91/5) somt bedingen op die vermoed onrechtmatig zijn: u mag ze rechtvaardigen, maar de bewijslast ligt bij u.
Zodra een beding aan één van deze vier beantwoordt, moet de rechter het nietig verklaren. Hij heeft geen appreciatiemarge.
Deze acht worden geacht onrechtmatig te zijn. Wilt u zo'n beding behouden, dan moet ú aantonen dat het in de concrete context géén kennelijk onevenwicht schept.
De regels lijken abstract, maar ze bijten op heel concrete plaatsen in een modelcontract. Dit zijn de valkuilen die het vaakst opduiken bij een scan — telkens met de vraag: houdt dit beding stand?
Is uw schadebeding te scherp, dan is het onrechtmatig en dus nietig. Anders dan bij een gewoon schadebeding (art. 5.88 BW, waar de rechter herleidt tot een redelijk bedrag) wordt een B2B-schadebeding volgens de dominante strekking en rechtspraak niet gematigd.
U valt dan terug op enkel uw werkelijk bewezen schade. Te ambitieus schrijven kost u het hele beding.
Een boete, opzegvergoeding of exoneratie die enkel in úw voordeel speelt, zonder spiegelbeeld ten laste van uzelf, trekt meteen de aandacht. Asymmetrie is een klassieke bron van kennelijk onevenwicht.
Vraag bij elk beding: geldt dit ook omgekeerd?
De algemene onrechtmatige-bedingenleer in het nieuwe verbintenissenrecht (art. 5.52 BW) geldt enkel voor toetredingscontracten — bedingen waarover niet is onderhandeld. De WER-B2B-regeling kent die beperking niet: zij toetst álle bedingen, ook de onderhandelde.
Onderhandeling beschermt uw beding dus niet tegen deze wet.
Aan een gebrek aan transparantie koppelt de wet geen automatische nietigheid. Maar onduidelijkheid weegt wél mee in de onrechtmatigheidsbeoordeling (art. VI.91/3) — ze kán, maar hoeft niet, tot onrechtmatigheid te leiden — en kan daarnaast een precontractuele fout opleveren.
En een onduidelijk kernbeding — ook prijs- of voorwerpbepaling — verliest zijn immuniteit en komt alsnog in de toets. Duidelijk formuleren is dus geen stijlkwestie.
De regeling geldt voor overeenkomsten die worden gesloten, hernieuwd of gewijzigd na 1 december 2020. Een oud contract dat u aanpast, valt vanaf dan onder het volledige regime.
Elke addendum of verlenging is dus een moment om te screenen.
Uzelf bevrijden van aansprakelijkheid voor zware fout staat op de grijze lijst, terwijl het gemeen recht (art. 5.89 BW) zo'n bevrijdingsbeding wél toelaat.
Let op de grens: art. 5.89, § 1 BW laat exoneratie voor zware fout uitdrukkelijk toe, maar § 2 verbiedt exoneratie voor opzettelijke fout en voor een aantasting van iemands leven of fysieke integriteit; het beding mag de overeenkomst evenmin van haar wezen ontdoen. Twee regimes, twee antwoorden voor dezelfde clausule.
En de bewijslast verschilt per spoor. Bij de zwarte lijst hoeft niemand een onevenwicht aan te tonen: die bedingen zijn altijd nietig en de rechter werpt dat ambtshalve op. Bij de grijze lijst is het vermoeden net omgekeerd — niet wie de nietigheid inroept, maar wie het beding wil behouden, moet bewijzen dat er géén kennelijk onevenwicht is. Enkel onder de algemene norm (art. VI.91/3) draagt de partij die zich op de onrechtmatigheid beroept de volle bewijslast. En omdat tussen twee professionals de machtsongelijkheid ontbreekt die het consumentenrecht veronderstelt, stellen rechters zich terughoudend op.
De harde kern — de B2B-wet in het WER — staat niet alleen. Het nieuwe verbintenissen- en aansprakelijkheidsrecht schuift ernaast, en enkele sectoren kregen een eigen aanvulling. Eerst de ruggengraat, dan enkele sectorale uitbreidingen bij wijze van illustratie.
Art. VI.91/7 laat toe om de zwarte en grijze lijst per sector aan te vullen, en dat gebeurt gefaseerd. De twee hieronder zijn de bekendste voorbeelden — geen volledige lijst. Ze staan hier als illustratie van hoe sectoraal maatwerk het basisregime aanscherpt.
Illustratief, niet limitatief. De machtiging van art. VI.91/7 wordt gefaseerd ingezet: naast de voedingsdetailhandel bestaan er verdere sectorale uitbreidingen (o.m. de maritieme sector) en lopende initiatieven (zoals een ontwerp-KB voor energielevering aan ondernemingen). De lijst groeit; dit blok toont de aanpak, niet elk afzonderlijk besluit.