Een cliënt belt u over een contract dat hij moet tekenen. Een andere vraagt wat Boek 7 voor hem verandert. U kan hem naar een advocaat sturen, maar dan verliest u het dossier uit het oog. ST-SCAN bezorgt u het antwoord, nagekeken en afgetekend door een ervaren jurist. Daarnaast krijgt u praktische tips aangepast aan uw cliënteel en aan uw kantoor bij elke wetswijziging.
AI antwoordt snel, maar u kan niet nagaan of het antwoord juist is. Stuurt u het door naar uw cliënt, dan is dat onder uw verantwoordelijkheid.
Uw cliënt gebruikt ondertussen ook AI. Hij laat er zijn contract mee opstellen of nakijken. Hij kan evenmin beoordelen wat eraan mankeert, want hij is geen jurist.
U legt ons de vraag, de tekst of het contract voor. Een ervaren jurist kijkt alles na en tekent het antwoord af.
U ontvangt het antwoord en een gedateerd document dat de controle vastlegt. Dat document bewaart u in het dossier van uw cliënt.
Wij behandelen vragen en documenten naar Belgisch commercieel en bijzonder recht (B2B), exclusief fiscaal recht, publiek recht, arbeidsrecht en strafrecht.
Valt uw vraag of uw document hierbuiten, dan zeggen wij dat vooraf en spreken wij een prijs af. In sommige gevallen behandelen wij het toch binnen uw abonnement.
Geen opstartkosten. Abonnementen en betalingen gebeuren op kwartaalbasis. Opzegging is 1 maand voor einde van een kwartaal. Vragen of scans die niet gebruikt zijn, schuiven niet door naar een volgend kwartaal. Heeft u uw vragen of scans van een kwartaal opgebruikt, dan kan u bijbestellen tegen het losse tarief of ons contacteren voor een bredere formule.
Wij lichten elk document door met Belgische legal AI. Een ervaren jurist kijkt het resultaat na en tekent het af. U kiest een rapport, een bewerkte tekst of allebei. Uw kantoor blijft opdrachtgever en blijft het aanspreekpunt van de cliënt.
Bekijk de tarieven voor losse opdrachten →
Hieronder staan zeven korte bijdragen over de juridische kant van het accountantsberoep. Elk onderwerp begint met de kern in drie punten. Abonnees krijgen dit soort teksten en sturen ze onder hun eigen naam naar hun cliënten.
Een cliënt belt met de vraag om snel even een contract op te maken. Vroeger verwees u hem door naar een jurist. Vandaag levert een AI-model in dertig seconden een tekst die er verzorgd en volledig uitziet. De verleiding om die door te sturen is groot, en precies daar begint het probleem.
Contracten opstellen zit op de rand van wat een medewerker van een accountantskantoor mag doen. Dat was al zo vóór AI zijn intrede deed. Vandaag komt daar een bijkomend buitencontractueel risico bij voor de medewerker die geregeld contracten opstelt buiten de opdracht van het kantoor, een situatie waaraan wij een aparte bijdrage wijden.
AI gebruiken is op zich geen fout. Een normaal zorgvuldige medewerker mag AI inzetten. De fout zit in het gebrek aan controle, niet in het gebruik van het instrument.
Sinds “the age of agentic AI” kunnen systemen zelfstandig acties ondernemen en met uw input en data zelfstandig werken. De rol van de accountant verschuift daarmee uitdrukkelijker van input naar validatie en controle.
De rode draad in de rechtspraak en de rechtsleer is dat de beroepsbeoefenaar eindverantwoordelijk blijft voor de uitkomst, wat de AI-tool ook produceert. Daarbij klinkt een uitdrukkelijke waarschuwing tegen overreliance: het risico dat AI-output zonder kritische beoordeling wordt overgenomen, net omdat die er overtuigend en menselijk uitziet. Dus inderdaad, controle is vereist, zelfs op output die er goed uitziet.
U kan zich niet verschuilen achter goed uitziende technologie. AI is geen accountant, AI is geen jurist, en de leverancier van de software sluit elke aansprakelijkheid uit. Wanneer een clausule ongeldig blijkt, of een essentiële bepaling ontbreekt, bent u zelf als gebruiker verantwoordelijk.
In theorie is de oplossing eenvoudig: verwijs door naar een jurist en baken de taken scherp af in de opdrachtbrief, zodat u niet in de val van een te ruim mandaat loopt.
In de praktijk is doorverwijzen moeilijk: waarom zou u doorverwijzen als een andere accountant het contract wél zelf opstelt?
De cliënt komt bij u omdat hij u vertrouwt. Hem naar een jurist sturen voor een overeenkomst van vijf bladzijden betekent vaak een onvoorspelbare kost, een langere doorlooptijd, en een derde partij die zich in de relatie nestelt.
Sommige AI-leveranciers spelen daarop in met een jurist “op afroep”, in een one-click-away-model: u kan hem inschakelen als u niet zeker bent van de output. Maar daarmee komt de beoordeling opnieuw bij u terecht, net wat u wilde vermijden.
Het risico zit niet enkel bij eenmalige documenten: ook bij routine ontstaat een probleem.
De jaarlijkse vergaderstukken zijn daar het schoolvoorbeeld van: de notulen van de algemene vergadering, het verslag van het bestuursorgaan, de kwijting, de bestemming van het resultaat, de alarmbelprocedure. Een fout in een eenmalig contract raakt één cliënt. Een fout in een model dat uw hele portefeuille doorloopt daarentegen…
Bij herhaling verandert de juridische kwalificatie. Een incidentele slordigheid is een “lichte fout” waarvoor een medewerker beschermd is in de hoedanigheid van “werknemer” (art. 18 AOW). Dat verandert bij een werkwijze waarin AI-teksten stelselmatig zonder nazicht worden gebruikt: een lichte fout die “eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt” doorbreekt de bescherming van de medewerker-werknemer.
Eén controlemoment aan het begin van de workflow is dus niet onbelangrijk, en is bovendien goedkoper en makkelijker te documenteren dan een correctie achteraf in elk dossier afzonderlijk.
Wie AI inzet voor contracten, heeft een juridisch controlemoment nodig dat een spoor nalaat. In de bestaande workflow moet een juridische validatie zijn ingebakken, en die moet worden gedocumenteerd.
ST-SCAN brengt deze validatie naar bestaande workflows en contracten: onder controle van een ervaren jurist wordt een bestaand contract of een AI-ontwerp gevalideerd, en waar nodig bewerkt met tekstwijzigingen. Uw kantoor blijft opdrachtgever, terwijl uw cliënt geholpen is tegen een vaste prijs.
De meeste kantoren denken bij AI-risico’s aan hun eigen gebruik: welke tools medewerkers mogen inzetten, welke gegevens ze mogen invoeren, hoe de output wordt gecontroleerd. Maar er zit een tweede stroom AI-teksten in uw dossiers waar u vaak geen zicht op heeft. Die van de cliënt.
Ondernemers gebruiken vandaag ook AI om hun algemene voorwaarden op te frissen, een huurovereenkomst of zelfs een commerciële samenwerking op te stellen. Sommigen zijn zelfs moedig genoeg om zelf een ingebrekestelling op te stellen en uit te sturen.
Het resultaat belandt vervolgens in uw dossier: als bijlage bij een verrichting, als onderbouwing van een boeking, of gewoon als “kijk eens of dit klopt”.
Van een accountantskantoor wordt verwacht dat het kan verantwoorden hoe AI in het eigen werk wordt ingezet en wat de grenzen daarvan zijn (een “AI-beleid”).
De minder besproken kant is de omgekeerde beweging: vraag uw cliënt naar de contracten die hij met AI heeft geschreven, en naar hoe hij die heeft gecontroleerd. Documenteer dat gesprek. Twee vragen volstaan meestal:
Dat gesprek kadert in uw zorgvuldigheids- en waarschuwingsplicht en vermijdt lastige vragen nadien wanneer het fout loopt.
Wie hier niets over zegt, loopt een dubbel risico. Het eerste is het inhoudelijke: een ongeldige clausule die pas opduikt wanneer er discussie ontstaat met een leverancier, een bank of de fiscus.
Het tweede is procedureel en wordt vaak onderschat. Ontbreekt een duidelijke taakafbakening in de opdrachtbrief, dan kan een rechter oordelen dat het mandaat ruim was. En hoe ruimer het mandaat wordt gelezen, hoe breder de advies- en waarschuwingsplicht wordt uitgelegd.
Bovendien kan de accountant als “onderaannemer” van de cliënt worden beschouwd, tegen wie een derde (de bank of de fiscus) een buitencontractuele vordering heeft bij aantoonbare fout.
Een strikte opdrachtbrief werkt dus in twee richtingen: ze beschrijft wat u doet, en ze maakt zichtbaar wat u uitdrukkelijk niet doet — bijvoorbeeld het beoordelen van contractuele teksten, met verwijzing naar een jurist voor eigenlijk contractwerk.
Signaleren is één ding, de cliënt nadien laten zitten is een ander verhaal. Wie de cliënt geen route aanbiedt, krijgt zelden gehoor — en riskeert dat het document ongewijzigd of ongecontroleerd in omloop blijft.
Een controle of validatie vinden met “human in the loop” is niet altijd even eenvoudig. Vaak mijden cliënten dure advocaten, of is het ontbreken van een transparante prijs een drempel te veel.
Bij ST-SCAN kan een contract dat uw cliënt zelf of met AI heeft opgesteld, juridisch worden gevalideerd of verbeterd, onder toezicht van een ervaren jurist en tegen een vaste prijs, zodat u de cliënt vooraf kan zeggen wat het kost. Zo blijft de waarschuwing niet hangen bij een opmerking in de marge, maar leidt ze tot een stuk dat de cliënt effectief vooruithelpt.
Op de meeste kantoren is het beleid rond AI ontstaan zoals de tools zelf: organisch. Iemand begon ermee, het zag er goed uit, dus anderen namen het over.
Een AI-beleid is vandaag meer dan een goede praktijk: het is de meest praktische manier om te voldoen aan een verplichting die sinds 2 februari 2025 van kracht is.
De overgrote meerderheid van bedrijven, kantoren, werkgevers en organisaties die AI-tools inzetten in het kader van een professionele activiteit — bijvoorbeeld ChatGPT op een boekhoudkantoor, of een AI-tool voor juridisch advies — zijn “gebruiksverantwoordelijken” die vallen onder het toepassingsgebied van de AI-Verordening (EU) 2024/1689, beter bekend als de “AI Act”, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2026/1744.
De AI Act legt een inspanningsverbintenis op: het kantoor moet maatregelen nemen die de ontwikkeling van AI-kennis (volgens de wet: “AI-geletterdheid”) ondersteunen. Die verplichting geldt niet alleen tegenover het eigen personeel, maar ook tegenover freelancers, interims en andere personen die namens het kantoor met AI-systemen werken.
AI-systemen die een significante impact hebben op de rechten of veiligheid van individuen, zoals systemen voor HR-selectie of kredietbeoordeling, zijn onderhevig aan strengere eisen. Wie dergelijke hoogrisicosystemen gebruikt, heeft een grondiger begrip nodig van de risico’s en de grenzen van het systeem. De AI Act voorziet hier een resultaatsverplichting op het vlak van toezichtbekwaamheid (artikel 26).
Wat AI-kennis is, hangt af van de technische kennis, de ervaring en de opleiding van de betrokken personen, en van de context waarin de AI-systemen worden gebruikt. Wat één medewerker weet, is nog geen kantoorbeleid. Een AI-beleid tilt individuele AI-kennis naar een norm die voor iedereen geldt — ook voor wie morgen begint.
Een goed AI-beleid dat van toepassing is op alle medewerkers, duidelijke gebruiksregels stelt en output-validatie verplicht, verkleint de kans op foutief gebruik. Zo beheerst u uw aansprakelijkheidsrisico:
Door vast te leggen welk niveau van controle en validatie van elke medewerker wordt verwacht, bepaalt het AI-beleid de zorgvuldigheidsnorm waaraan zijn handelen wordt getoetst. Wie die controlestappen naleeft, handelt zorgvuldig — en zonder fout is er geen aansprakelijkheid, niet voor de medewerker en niet voor het kantoor dat voor hem instaat.
Een goed AI-beleid kan dus gerust worden beschouwd als een strategisch instrument:
We denken aan een aantal essentiële bepalingen:
ST-SCAN beoordeelt en valideert contracten en documenten onder toezicht van een ervaren jurist en tegen een vaste prijs. Dat geldt ook voor een AI-beleid en de toepassing ervan in uw opdrachtbrief, uw algemene voorwaarden of uw arbeidsreglement.
Wie op kantoor over aansprakelijkheid spreekt, denkt bijna altijd in termen van de vennootschap. De cliënt tekent een opdrachtbrief met het kantoor, en als er iets misloopt, richt hij zich tot dat kantoor. Sinds 1 januari 2025 klopt dat beeld niet meer volledig.
Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek heeft de quasi-immuniteit van de hulppersoon afgeschaft. Die hulppersoon is in de praktijk de fysieke persoon die het werk doet: de dossierbeheerder, de teamverantwoordelijke, de zelfstandige medewerker, de bestuurder.
Het gevolg is dat de cliënt nu ook de medewerker rechtstreeks buitencontractueel kan aanspreken, dus buiten de opdrachtbrief om die hij met het kantoor heeft getekend. Dit principe is intussen bij de meeste kantoren gekend.
Er is een tweede, minder gekende beweging. Ook de contractpartijen van uw cliënt, zoals zijn bank, een leverancier of een koper, kunnen zich voortaan buitencontractueel tot het kantoor richten wanneer het kantoor meewerkt aan de uitvoering van hun contract met de cliënt. Het kantoor is dan hulppersoon van de cliënt, en de dossierbeheerder op zijn beurt hulppersoon van het kantoor.
De hulppersoon staat niet weerloos. Hij kan zich beroepen op de verweermiddelen uit het contract tussen de cliënt en het boekhoudkantoor, en op de verweermiddelen uit zijn eigen contract met het kantoor. De buitencontractuele vordering kan in het hoofdcontract bovendien worden uitgesloten.
De contractuele bescherming kent echter twee harde grenzen. Ze geldt niet bij een fout begaan met het opzet schade te veroorzaken, en niet wanneer de schade een aantasting van de fysieke of psychische integriteit betreft. In die gevallen blijft de hulppersoon aansprakelijk.
Daarnaast moet ook gekeken worden naar specifieke wettelijke beschermingsmechanismen die van toepassing blijven.
De werknemer wordt in de uitvoering van zijn overeenkomst bijkomend beschermd door artikel 18 van de Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (“AOW”): hij is enkel aansprakelijk voor bedrog, een zware fout, of een lichte fout die eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt. Een AI-tool die systematisch dezelfde fout maakt, kan een “lichte fout die eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt” opleveren.
Omdat art. 18 AOW een wettelijke immuniteit is en geen contractueel beding, blijft ze buiten het bereik van art. 6.3, §2 BW. De werknemer-immuniteit blijft dus overeind, ook bij lichamelijke schade, zolang het om een toevallige lichte fout gaat. Dit is wel betwist: sommige auteurs lezen art. 6.3, §2 BW zo dat ook deze wettelijke immuniteit sneuvelt zodra de fysieke of psychische integriteit is aangetast.
De daden van bestuurders en dagelijks bestuurders (CEO’s) worden marginaal getoetst (art. 2:56 WVV). Dat betekent dat ze pas als bestuursfout gelden wanneer ze zich “kennelijk buiten de marge bevinden waarbinnen normaal voorzichtige en zorgvuldige bestuurders, geplaatst in dezelfde omstandigheden, redelijkerwijze van mening kunnen verschillen”.
Bovendien is hun aansprakelijkheid beperkt tot plafonds (caps) (art. 2:57 WVV). Die plafonds worden echter doorbroken in geval van zware fout, bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden. Ook de lichte fout die eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt, doorbreekt de aansprakelijkheidsplafonds.
De beperking geldt voor elke bestuurder, zaakvoerder of dagelijks bestuurder, tegenover de vennootschap én tegenover derden, voor contractuele zowel als buitencontractuele fouten (art. 2:57, §1 WVV). De plafonds gelden voor de voltallige raad van bestuur, dus niet per hoofd.
De beperkingen gelden echter niet in een aantal specifieke gevallen, zoals de betalingsplicht van de bedrijfsvoorheffing en de btw van de rechtspersoon, de hoofdelijke aansprakelijkheid voor niet-betaalde socialezekerheidsbijdragen bij een faillissement (art. XX.226 WER), en de verplichtingen rond de volstorting van het kapitaal.
De bestuurder kan evenmin rekenen op een exoneratie of vrijwaring in zijn overeenkomst met de vennootschap, omdat een bestuurder zich niet vooraf kan exonereren of vrijwaren (art. 2:58 WVV) voor bestuursfouten — eventueel wel voor fouten buiten zijn bestuursopdracht, bijvoorbeeld binnen een managementcontract.
Artikel 2:58 WVV verbiedt dat de rechtspersoon zélf de bestuurder vooraf exonereert of vrijwaart. De D&O-polis is echter geen verboden voorafgaande vrijwaring door de rechtspersoon: het is een overeenkomst met een derde (de verzekeraar), die het financiële risico draagt. De rechtsleer bevestigt dit onderscheid uitdrukkelijk: de verzekering van het resterende aansprakelijkheidsrisico voor bestuurders blijft toegelaten, desgevallend op kosten van de vennootschap. De polis kan zelfs door de vennootschap worden afgesloten en betaald, zonder dat dit in strijd is met artikel 2:58 WVV.
De zelfstandige medewerker of freelancer geniet geen bijzondere immuniteit en valt volledig onder de verruimde aansprakelijkheid.
ST-SCAN beoordeelt en valideert contracten en documenten onder toezicht van een ervaren jurist en tegen een vaste prijs. Dat geldt ook voor een opdrachtbrief, algemene voorwaarden of verzekeringspolis.
Een cliënt met wie het is misgelopen vraagt inzage in zijn dossier op grond van artikel 15 AVG. In dat dossier zit ook uw witwasdocumentatie: het cliëntenonderzoek, de risicobeoordeling, mogelijk een melding aan de CFI. Twee regimes botsen dan frontaal.
De AVG geeft de betrokkene recht op inzage in zijn persoonsgegevens en op een kopie daarvan, met een antwoordtermijn van een maand.
De antiwitwaswet van 18 september 2017 (AWW) verbiedt daarentegen om de cliënt of derden in te lichten over een gedane melding of over een lopend onderzoek (art. 55). Dat verbod is tuchtrechtelijk en strafrechtelijk (art. 136, 3° AWW) gesanctioneerd en kent slechts enkele uitzonderingen.
Artikel 12 AVG verplicht u anderzijds het verzoek van de cliënt te beantwoorden. Wie in zijn inzageantwoord de melding aan de CFI prijsgeeft, pleegt dus een misdrijf; en wie zonder juiste verantwoording zwijgt, schendt de AVG.
De uitweg zit in artikel 23 AVG, dat de lidstaten toelaat de rechten van betrokkenen te beperken. België heeft dat gedaan in artikel 65 AWW, dat in 2020 werd herwerkt om het net op artikel 23 AVG af te stemmen. De Gegevensbeschermingsautoriteit wees er bij die herwerking op dat het om een beperking moet gaan en niet om het buiten toepassing verklaren van die rechten, en dat de essentie ervan overeind moet blijven.
Dit betekent dat u het inzageverzoek niet mag negeren, maar moet opsplitsen. Het gewone deel van het dossier — identificatiegegevens, correspondentie, verwerkte stukken — valt onder de normale inzageregeling. Voor het witwasluik beroept u zich op de wettelijke beperking, zonder te bevestigen of te ontkennen dat er een melding bestaat. Die formulering is cruciaal, want elke zinsnede die suggereert dat er iets is, is zelf al een vorm van tipping-off.
De cliënt kan klacht indienen bij de GBA, die de zaak met haar gewone bevoegdheden beoordeelt en daarbij evenmin zal onthullen of er een melding bestaat.
ST-SCAN beoordeelt en valideert contracten en documenten onder toezicht van een ervaren jurist en tegen een vaste prijs. Dat geldt ook voor een opdrachtbrief, algemene voorwaarden of verzekeringspolis.
U aanvaardt een opdracht tot jaarafsluiting tegen een forfaitair ereloon. Bij het openen van het dossier blijkt de boekhouding in een aanzienlijk slechtere staat te verkeren dan bij de bespreking werd voorgesteld.
Het uitgangspunt in artikel 7.4.8 van het Burgerlijk Wetboek blijft dat u als opdrachtnemer de opdracht van de cliënt uitvoert voor de overeengekomen prijs, ook wanneer de opdracht meer werk of meer uitgaven vergt dan voorzien. Daarop komt één uitzondering, die in de rechtspraak al bekend stond als de sujétions imprévues-leer en vooral in bouwzaken werd toegepast. Boek 7 BW verankert die leer nu in de wet, en breidt haar uit tot alle dienstencontracten. Ook het accountantscontract valt daar dus onder.
De verleiding is groot om deze situatie onder artikel 5.74 van het Burgerlijk Wetboek te brengen. Imprevisie vereist een verandering van omstandigheden die zich na de contractsluiting voordoet en die toen onvoorzienbaar was.
In ons voorbeeld is er niets veranderd. De achterstand in de boekhouding bestond al op het ogenblik dat u de opdracht aanvaardde, alleen kende u de toestand toen nog niet.
Op de vraag wat “buitensporig bezwarend” is, geeft de wet u het recht om dit te bepalen in uw opdrachtbrief, die op een evenwichtige wijze de wederzijdse rechten en plichten dient te omschrijven (artikel 41 van de wet van 17 maart 2019).
De wet stelt vijf cumulatieve voorwaarden:
Voor een aannemer is die drempel laag, omdat hij bijvoorbeeld niet onder de grond kan kijken. Voor een accountant ligt dat gevoeliger. Van een beroepsbeoefenaar wordt verwacht dat hij zich bij de aanvaarding van een opdracht informeert over wat hij overneemt. De ondernemingsrechtbank Brussel oordeelde op 13 juni 2019 dat de accountant een actieve samenwerkings- en informatieverplichting heeft, waaraan een bijstands- en waarschuwingsplicht is gekoppeld.
Die verplichting impliceert ook een instapcontrole bij aanvaarding van een dossier: wie geen enkele instapcontrole doet en zich uitsluitend baseert op mondelinge verklaringen van de cliënt, zal achteraf moeilijk kunnen staande houden dat de werkelijke toestand niet kenbaar was.
U krijgt niet het recht om eenzijdig bij te factureren. Wat u wél krijgt, is het recht om heronderhandeling te vragen. Intussen moet u uw verbintenissen blijven uitvoeren.
De onderhandeling kan gaan over de prijs, de beëindiging van de opdracht, of een herziening van de scope van de opdracht. Leidt de heronderhandeling binnen een redelijke termijn niet tot een akkoord, dan kan de rechter het contract aanpassen of geheel of gedeeltelijk beëindigen, in een procedure zoals in kort geding (art. 7.4.8, laatste lid BW).
Wanneer tijdens de onderhandeling de erelonen niet worden betaald, besliste het Hof van Cassatie op 4 april 2025 (D.23.0003.N, RW 2024-25, 1559) dat de accountant een beperkt retentierecht behoudt op stukken die de vrucht zijn van zijn eigen beroepswerkzaamheid (interne berekeningen, werkbalansen, notities) en waarvoor hij nog niet werd vergoed. Het arrest creëert dus geen algemeen retentierecht: omdat de boekhouding aan de cliënt toebehoort, blijft de verplichting bestaan om die onverwijld over te dragen.
Concreet moeten twee categorieën worden onderscheiden:
De vijfde voorwaarde bepaalt dat de regeling niet geldt wanneer het contract of de wet haar uitsluit.
Artikel VI.91/5, 3° van het Wetboek van economisch recht plaatst op de grijze lijst het beding dat er zonder tegenprestatie toe strekt het economische risico te leggen bij de partij die dat normaal niet draagt. Een dergelijk beding wordt vermoed onrechtmatig te zijn. Het vermoeden is weerlegbaar, maar de bewijslast rust op de cliënt die het beding tegen u inroept. Slaagt de cliënt niet in dat bewijs, dan is het beding nietig en herleeft artikel 7.4.8 volledig: u behoudt in dat geval uw recht op heronderhandeling.
Boek 7 werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 23 september 2026 en treedt in werking op 1 september 2027, voor contracten die vanaf dan worden gesloten. Omdat een opdrachtbrief doorgaans jaarlijks wordt hernieuwd, komt dit voor accountantskantoren sneller dan het lijkt.
ST-SCAN beoordeelt en valideert contracten en documenten onder toezicht van een ervaren jurist en tegen een vaste prijs. Dat geldt ook voor een opdrachtbrief, algemene voorwaarden of verzekeringspolis.
Bij een overdracht van een accountantskantoor botsen we op een aantal bijzonderheden die we hierna toelichten. Nadien bekijken we welke structuur van overdracht het meest aangewezen is.
Cliënteel kan niet worden overgedragen of geleverd. Wat wordt overgedragen, zijn de lopende opdrachtbrieven en algemene voorwaarden. De goodwill is de prijs voor de kans dat de cliënten blijven. Het overdragen van die opdrachtbrieven is juridisch een contractsoverdracht (art. 5.193 BW).
De toestemming is niet nodig om over te dragen, wel om de overdrager te bevrijden.
Art. 5.193, §2, eerste zin BW bepaalt letterlijk: “Indien de contractuele positie overgedragen is aan een derde zonder toestemming van de medecontractant, kan enkel de overnemer de rechten uitoefenen die voortvloeien uit die contractuele positie. De overdrager blijft niettemin hoofdelijk gehouden tot de gevolgen van de uitoefening van die rechten.”
Dit betekent concreet dat de toestemming van de cliënt niet vereist is om de contractuele positie over te dragen. Ze is enkel vereist om de overdrager (het overgedragen kantoor) te bevrijden tegen claims van zijn cliënt.
Juridisch ontstaat een “onvolkomen contractsoverdracht”: de overdrager blijft hoofdelijk aansprakelijk ten aanzien van de cliënt, ook al is de cliënt juridisch gezien wel overgedragen.
Zelfs mét toestemming van de cliënt is de bevrijding niet volledig: voor schulden die vóór de overdracht al opeisbaar waren, blijft de overdrager aansprakelijk.
Art. 5.193 BW is van aanvullend recht, zodat partijen — en dus ook u, vooraf — een eigen regeling kunnen uitwerken.
Art. 5.193 BW laat toe dat de cliënt zijn toestemming bij voorbaat geeft. De overdracht heeft dan uitwerking zodra zij hem ter kennis is gebracht. Dat is de clausule die vaak vergeten wordt in de opdrachtbrief van een accountantskantoor.
Het kantoor kan de overeenkomst met de cliënt overdragen aan een bij het ITAA ingeschreven beroepsbeoefenaar, mits schriftelijke kennisgeving aan de cliënt, met uitdrukkelijke bevrijding van de overdrager, en met het recht voor de cliënt om binnen bijvoorbeeld dertig dagen kosteloos op te zeggen.
Dat opzegrecht is geen toegeving. Het houdt het beding evenwichtig tegenover de regels inzake onrechtmatige bedingen tussen ondernemingen (art. VI.91/1 e.v. WER), en het erkent dat de opdracht in belangrijke mate intuitu personae is gesloten. Een korte opzegtermijn is aangewezen, omdat de Commissie van beroep oordeelde dat een opzegtermijn van zes of twaalf maanden in de algemene voorwaarden strijdig is met de plicht tot waardigheid en eerlijkheid.
Een kandidaat-overnemer wil cijfers per cliënt zien voor hij een prijs bepaalt. Het beroepsgeheim (art. 120 van de wet van 17 maart 2019, gesanctioneerd via art. 458 Sw.) geldt ook tegenover een confrater die nog geen opdracht heeft.
Maak bij de effectieve overdracht per dossier een gedetailleerde, gedagtekende inventaris op in twee exemplaren, ondertekend door alle betrokken partijen (art. 23 KB 1 maart 1998 en art. 17 KB 14 januari 2021). Ontbreekt die inventaris, dan draagt de overdrager de bewijslast dat het dossier volledig is overgedragen.
Bron: blogitaa.be, 11 december 2024
Gaan bij een overdracht van activa ook het team en de organisatie over, dan kan sprake zijn van een conventionele overgang van onderneming in de zin van cao nr. 32bis. De arbeidsovereenkomsten gaan dan van rechtswege over met behoud van rechten, en de overnemer is hoofdelijk gehouden tot de op dat ogenblik bestaande schulden. Dat is geen keuze van partijen: wie in de overnameovereenkomst schrijft dat twee van de vier medewerkers meekomen, moet eerst goed nakijken of dat wel kan.
Bij een share deal stelt die vraag zich niet, omdat de werkgever dezelfde blijft. Voor zelfstandige medewerkers geldt cao nr. 32bis evenmin: hun overeenkomsten zijn opnieuw een contractsoverdracht (zie punt 2).
Bij een share deal blijft de verwerkingsverantwoordelijke dezelfde rechtspersoon: er is geen doorgifte van gegevens. Bij een asset deal verhuizen de dossiers naar een andere persoon. Die overdracht is een verwerking met een eigen grondslag en een informatieplicht (art. 13 en 14 AVG), ook tegenover de cliënten of derden van wie gegevens in de dossiers zitten. Een legitieme grondslag — doorgaans het gerechtvaardigd belang (art. 6, lid 1, f) AVG) of de contractuele noodzaak (art. 6, lid 1, b) AVG) — moet worden geïdentificeerd en gedocumenteerd vóór de overdracht.
Dit is een element dat in de overnameovereenkomst moet worden geregeld.
Houd daarnaast rekening met de wettelijke bewaarplicht van zeven jaar, en soms tien jaar voor fiscale dossiers. De bewaarplicht blijft van toepassing op de overdrager bij een asset deal. Hij heeft een kopie nodig, of minstens een contractueel recht op toegang tot de overgedragen dossiers wanneer hij later wordt aangesproken of gecontroleerd.
Ook dit element wordt vaak vergeten bij de redactie van de overnameovereenkomst.
De indruk dat bij een share deal alles eenvoudiger is, klopt in beginsel, maar kent voor een kantoor bijzondere uitzonderingen die vooraf moeten worden nagekeken.
Wie geen collectieve verzekering heeft onderschreven, maar een eigen verzekering tegen beroepsaansprakelijkheid, moet kijken naar de uitloopdekking ten gunste van de overdrager en het inloopbeding ten gunste van de overnemer.
De collectieve ITAA-polis, waartoe toetreding vrijwillig is, voorziet een claims made-systeem: gedekt zijn de schriftelijke vorderingen die tijdens de looptijd worden ingesteld, met uitsluiting van feiten die al in een procedure zaten, al bij een vorige verzekeraar waren aangegeven, of die de verzekerde kende en bewust niet aangaf. De posterioriteit bedraagt 60 maanden na de einddatum, voor schade die zich tijdens de looptijd heeft voorgedaan, en alleen als het risico bij het einde niet door een andere verzekeraar gedekt is.
Nog vermeldenswaardig is dat de overnemer verplicht is de eventuele nieuwe dekking en polisvoorwaarden kenbaar te maken aan het cliënteel dat hij heeft overgenomen. De Tuchtcommissie heeft geoordeeld dat het niet meedelen van de gegevens van de burgerlijke beroepsaansprakelijkheid aan de cliënt een tuchtinbreuk is, en die rechtspraak is intussen meermaals hernomen met artikel III.74, §1, 14° WER als grondslag.
Bron: blogitaa.be, 26 maart 2025
Een niet-concurrentie- en niet-afwervingsbeding bij de overdracht van een kantoor is geldig voor zover het beperkt blijft in tijd, ruimte en voorwerp tot wat nodig is om de overgedragen goodwill te beschermen. Wat zo’n beding niet kan, is de cliënt binden: die kiest vrij zijn beroepsbeoefenaar en kan vertrekken, ook naar een derde.
De fiscale behandeling van de overdrachtsprijs (meerwaardebelasting, roerende voorheffing, registratierechten) verschilt aanzienlijk tussen share deal en asset deal, en bepaalt in de praktijk mee welke structuur wordt gekozen. Dit valt buiten de scope van deze bijdrage.
Bovenstaande toont het belang aan van een goed georganiseerd boekenonderzoek — de “due diligence” of “DD” — als bescherming tegen “verborgen passief”.
Het resultaat van zo’n DD wordt omgezet in verklaringen en waarborgen, vrijwaringsbedingen, een inhouding op de prijs (earn-out), enzovoort. Het risico bestaat dat dit slecht wordt geregeld, tenzij u hierbij dure advocaten betrekt.
Hoe meer waarde in de vennootschap zelf zit — erkenningen, een team, langlopende overeenkomsten, een naam — hoe sterker onze voorkeur voor de share deal, op voorwaarde dat de koper de historiek aanvaardt, eventueel met uitzonderingen (via een zogenaamde “disclosure letter”). Hoe meer onzekerheid over het verleden, hoe aantrekkelijker de asset deal, op voorwaarde dat de overdracht van de opdrachtbrieven en van het personeel correct wordt georganiseerd.
ST-SCAN biedt de formule van de “mini-due diligence” of de Mini-DD aan: een boekenonderzoek dat speciaal gericht is op de kmo of het accountantskantoor dat niet de kosten van een zware due diligence wil dragen, maar wel zicht wil hebben op de juridische fundamenten van een bedrijf dat wordt overgenomen.
Deze service wordt persoonlijk uitgevoerd door Steve Theunissen, voormalig advocaat, gespecialiseerd in M&A en het verloop van een due diligence, en oprichter van de startup ST-SCAN.
Wij pleiten niet en wij voeren geen procedures. Fiscaal recht, publiek recht, arbeidsrecht en strafrecht vallen buiten onze scope, net als dossiers naar buitenlands recht.
Waar echt een advocaat, notaris of fiscalist nodig is, zeggen wij dat, en verwijzen wij door met een goed voorbereid dossier. Uw kantoor blijft het aanspreekpunt van de cliënt.
ST-SCAN is opgericht door Steve Theunissen, master in de rechten met 30 jaar ervaring in ondernemingsrecht: 10 jaar als advocaat, 20 jaar als juridisch expert in onder meer M&A, ICT, vastgoed en logistiek.
ST-SCAN is een dienst van ST Consult bv.
Vraag het abonnement aan per e-mail. Wij bezorgen u de voorwaarden, de verwerkersovereenkomst en een eerste tekst die u meteen naar uw cliënten kan sturen.