Overmacht, imprevisie en straks ook de ongekende omstandigheden zijn de drie figuren waarop u zich kunt beroepen wanneer de uitvoering van een aannemings- of bouwcontract ontspoort. Wat ze gemeen hebben, is dat ze alle drie van aanvullend recht zijn en dus contractueel kunnen worden geregeld of uitgesloten. De verschillen daartussen zijn subtiel en vragen iets meer aandacht.
Overmacht en imprevisie zijn al van toepassing sinds de invoering van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek en zijn daardoor vrij goed gekend. De ongekende omstandigheden vormen de nieuwe figuur, geregeld in Boek 7 BW, en zijn dus nog niet ingeburgerd. De wet van 22 juli 2026 tot invoeging van boek 7 “Bijzondere contracten” in het Burgerlijk Wetboek is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 23 september 2026 en treedt in werking op 1 september 2027, de eerste dag van de twaalfde maand na die van de bekendmaking. Er rest dus nog bijna een jaar om modelcontracten en algemene voorwaarden op die nieuwe figuur af te stemmen.
| Overmachtart. 5.226 BW | Imprevisieart. 5.74 BW | Ongekende omstandighedenart. 7.4.8 BW | |
|---|---|---|---|
| Drempel | De nakoming is onmogelijk geworden | De nakoming blijft mogelijk, maar is buitensporig bezwarend geworden | Dezelfde drempel als bij imprevisie |
| Oorzaak | Een beletsel dat niet aan de schuldenaar toerekenbaar is | Een verandering van omstandigheden die bij de contractsluiting onvoorzienbaar was | Omstandigheden die bij de contractsluiting al bestonden en toen redelijkerwijze niet kenbaar waren |
| Voor wie? | De schuldenaar van de getroffen verbintenis | Elk van beide partijen | De opdrachtnemer |
| Gevolg | De schuldenaar wordt bevrijd als de onmogelijkheid blijvend is, en de nakoming wordt opgeschort als zij tijdelijk is | De partijen moeten heronderhandelen, en als dat mislukt kan de rechter het contract aanpassen of beëindigen | Hetzelfde gevolg als bij imprevisie |
| Vanaf | In werking sinds 1 januari 2023 | In werking sinds 1 januari 2023 | In werking op 1 september 2027 |
Sleep de tabel naar links om alle kolommen te zien.
Van overmacht is sprake wanneer de nakoming van de prestatie redelijkerwijs onmogelijk is geworden. Dat de uitvoering duurder of lastiger wordt, volstaat niet. Wel is het zo dat de onvoorzienbaarheid en de onvermijdbaarheid van het beletsel sinds Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek geen echte voorwaarden meer zijn, maar elementen waarmee de rechter rekening houdt bij zijn beoordeling. Aan het beletsel mag geen fout ten grondslag liggen van de schuldenaar die de overmacht inroept, en evenmin een fout van de persoon voor wie hij instaat.
Artikel 5.74 BW (imprevisie) vereist niet dat er zich een volstrekt nieuw feit voordoet, maar wel dat de omstandigheden veranderen na de sluiting van het contract, en dat op een manier die bij de contractsluiting onvoorzienbaar was. Het kan gaan om gewijzigde politieke, technische, economische, juridische of andere omstandigheden. Wanneer een geblokkeerde vaarroute de transportkosten buitensporig doet stijgen, gaat het dus om imprevisie.
Artikel 7.4.8 BW (ongekende omstandigheden) vereist juist géén verandering. Daar gaat het om omstandigheden die er bij de contractsluiting al waren, die toen redelijkerwijze niet konden worden gekend, en die pas tijdens de uitvoering buitensporig bezwarend blijken te zijn. Wanneer de aannemer op een ondergrondse constructie stuit die niet op de plannen stond, gaat het om een ongekende omstandigheid die zijn kosten doet stijgen.
Het derde onderscheid is opvallend. Overmacht kan door beide partijen worden ingeroepen, maar telkens alleen voor de eigen verbintenis die onmogelijk is geworden. Bij imprevisie kan de rechter optreden op verzoek van één van de partijen, terwijl hij bij de ongekende omstandigheden alleen kan optreden op verzoek van de opdrachtnemer.
In een aannemingsovereenkomst kan de bouwheer zich dus wel op overmacht en imprevisie beroepen, maar niet op de ongekende omstandigheden van artikel 7.4.8 BW. Die bepaling werkt enkel in het voordeel van de aannemer-opdrachtnemer.
Alle drie de regimes zijn van aanvullend recht. Partijen kunnen dus een eigen regeling treffen of de regimes zelfs uitsluiten. Er kan bijvoorbeeld worden gedacht aan afspraken over wat wel of niet zal worden beschouwd als een buitensporige bezwaring.
Een regeling met betrekking tot veranderde omstandigheden dekt daarentegen niet automatisch een regeling voor ongekende omstandigheden.
Een bouwpromotor heeft in zijn algemene voorwaarden artikel 5.74 BW uitgesloten of geregeld, en zich daardoor gewapend tegen buitensporige kosten wegens veranderde omstandigheden, contractueel begroot op meer dan 25 procent.
Die promotor is niet beschermd tegen ongekende omstandigheden onder artikel 7.4.8 BW, tenzij hij ook die figuur contractueel uitsluit of beperkt.
De vraag is vervolgens of een uitsluiting van de ongekende omstandigheden de toets van artikel VI.91/5, 3° WER doorstaat. Dat artikel verbiedt immers om zonder tegenprestatie het economische risico van een prestatie te leggen bij de partij die dat risico normaal niet draagt. De kosten van de ondergrondse constructie die niet op de plannen staat volledig bij de aannemer leggen, wordt naar ons oordeel vermoed onrechtmatig te zijn, behoudens tegenbewijs.
Meer in het algemeen bevat de B2B-wet een algemeen verbod op bedingen die een kennelijk onevenwicht tussen de rechten en plichten van partijen creëren. Dat verbod is opgenomen in artikel VI.91/3 WER en wordt verduidelijkt met een zwarte lijst van clausules die altijd als onrechtmatig worden beschouwd (artikel VI.91/4 WER) en een grijze lijst van bedingen die vermoed worden onrechtmatig te zijn (artikel VI.91/5 WER).
Een te ruime of een te beperkte overmachtsclausule, en evenzeer een regeling tegen veranderde of ongekende omstandigheden, riskeert dus de toets aan die verbodsbepalingen niet te doorstaan.
Een vermoeden van onrechtmatigheid kan worden weerlegd, maar de bewijslast rust op wie het beding inroept. De bouwheer-opdrachtgever zal dus moeten aantonen dat de meerkost voor de aannemer niet onevenwichtig is, bijvoorbeeld omdat die in de prijs is ingerekend.
Wordt dat bewijs niet geleverd, dan is het beding nietig en herleeft artikel 7.4.8 BW. De aannemer kan dan heronderhandeling vragen over de kosten wegens ongekende omstandigheden, en bij mislukking de rechter verzoeken het contract aan te passen of te beëindigen.
Hoe ruimer de uitsluiting van artikel 7.4.8 BW in het contract is geformuleerd, hoe meer zij neerkomt op een afwenteling van risico's, en dus hoe groter het risico dat zij botst met de verbodsbepalingen van de B2B-wetgeving.
Wie een risico contractueel wil uitsluiten of verschuiven, doet er goed aan de tegenprestatie die artikel VI.91/5, 3° WER vraagt zichtbaar in het contract te zetten. Zo wordt het evenwichtige karakter meteen duidelijk. Dat kan bijvoorbeeld op drie manieren.
Dat zijn de elementen waarmee het vermoeden van onrechtmatigheid kan worden weerlegd.
art. 5.74 en 5.226 BW (Boek 5, Wet 28 april 2022) · art. 7.4.8 BW (Boek 7, Wet 22 juli 2026, BS 23 september 2026, inwerkingtreding 1 september 2027) · art. VI.91/3 tot VI.91/5 WER (Wet 4 april 2019)